Deze bladzijde weergeven in het: Frans Nederlands
  ZOEKEN

Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen
Zoeken van A tot Z
Professionelen > Plantaardige productie > Wetgeving > Verordening (EU) 2016/2031
Plantengezondheidsverordening (EU) 2016/2031



Inleiding
Wettelijke bepalingen
Plantengezondheid: bevoegde federale en/of gewestelijke autoriteiten, waar kan u terecht?
Fytosanitaire invoercontroles
Gebruik van plantenpaspoorten
Traceerbaarheid
Jaarlijkse aangifte van geslachten/soorten en percelen






Inleiding

 

De insleep van plaagorganismen (=quarantaineorganismen) voor planten voorkomen is essentieel om een duurzame land-, tuin- en bosbouw mogelijk te maken, de voedselvoorziening veilig te stellen en onze leefomgeving te beschermen. Met de mondialisering van de handel is de kans op insleep van dergelijke organismen sterk toegenomen. Door de klimaatverandering kunnen ze in onze streken overleven, zich vestigen en grote economische en ecologische schade aanrichten.

Plantengezondheidsverordening (EU) 2016/2031 introduceert een proactieve aanpak om de insleep van quarantaineorganismen in de EU te voorkomen. Door in te zetten op preventieve maatregelen, grondig toezicht op het grondgebied en zich voor te bereiden op mogelijke uitbraken willen de lidstaten de opbrengstverliezen en de hoge kosten die gepaard gaan met bestrijdingsmaatregelen beperken. Deze verordening vormt de basis van het beleid binnen de EU op vlak van plantengezondheid.

   
 

De belangrijkste aspecten in de wetgeving hebben betrekking op :

Verordening (EU) 2016/2031 wordt vervolledigd door meer gedetailleerde bepalingen zodat er transparante en uniforme regels inzake plantengezondheid van toepassing zijn in alle lidstaten van de EU.

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 stelt de lijst vast van EU-quarantaineorganismen, de quarantaineorganismen voor beschermde gebieden (ZP (zona protecta) of PZ (protected zone)), gereglementeerde niet-quarantaine organismen (RNQP), invoerverboden, specifieke fytosanitaire eisen voor invoer en voor het intracommunautaire handelsverkeer en de lijst van planten, plantaardige producten en andere gereglementeerde voorwerpen, bij invoer en voor het intracommunautaire handelsverkeer.

De lijst van prioritaire quarantaineorganismen in de Unie is vastgelegd in de gedelegeerde verordening (EU) 2019/1702. De prioritaire quarantaineorganismen voldoen aan alle volgende voorwaarden:

  1. de aanwezigheid van deze organismen is niet op het grondgebied van de Unie aangetroffen, of niet op het betrokken grondgebied aangetroffen, behalve in een beperkt deel daarvan of met uitzondering van zeldzame, geïsoleerde en zelden voorkomende gevallen;
  2. hun potentiële economische, ecologische of sociale gevolgen zijn het ernstigst voor het grondgebied van de Unie;
  3. zij staan op de lijst van prioritaire quarantaineorganismen, d.w.z. dat zij alleen als prioritaire organismen kunnen worden beschouwd als zij op die lijst staan.

Alle lijsten van quarantaineorganismen en hun mogelijke waardplanten zijn opgenomen in het document Meldingsplicht en meldingslimieten van het FAVV. Informatie over deze organismen, hun symptomen, hun gastheerplanten en hun geografische verspreiding is beschikbaar op de website van de EPPO Global Database en voor sommige organismen heeft de EFSA Plant Pest Story Maps ontwikkeld die interessante informatie bevatten.

Uitzonderingen op het binnenbrengen van quarantaineorganismen voor wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling zijn voorzien in gedelegeerde verordening (EU) 2019/829 en uitvoeringsverordening (EU) 2019/2148.

De inspectiefrequenties voor planten en plantaardige producten zijn vastgelegd in Uitvoeringsverordening (EU) 2019/66.


Naar boven


Wettelijke bepalingen

 

Verordening (EU) 2016/2031 betreffende plantengezondheid
(Nummer NUMAC - 32016R2031 - voor de gecoördineerde wetgeving)

   
 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/2313 betreffende het model van plantenpaspoort
(Nummer NUMAC - 32017R2313 - voor de gecoördineerde wetgeving)

   
 

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2018 betreffende de procedure om een afwijking op het invoerverbod  voor hoog risico producten te bekomen
(Nummer NUMAC - 32018R2018 - voor de gecoördineerde wetgeving)

   
 

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019 betreffende de lijst van hoog risico producten waarvoor een invoerverbod geldt en de lijst van producten waarvoor geen fytosanitair certificaat vereist is
(Nummer NUMAC - 32018R2019 - voor de gecoördineerde wetgeving)

   
 

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/66 betreffende de inspectiefrequenties voor planten en plantaardige producten
(Nummer NUMAC - 32019R0066 - voor de gecoördineerde wetgeving)

   
 

Gedelegeerde verordening (EU) 2019/827 betreffende criteria waaraan professionele marktdeelnemers moeten voldoen tijdens onderzoeken met betrekking tot het afleveren van plantenpaspoorten

(Nummer NUMAC - 32019R0827 - voor de gecoördineerde wetgeving)

   
 

Gedelegeerde verordening (EU) 2019/829 betreffende beschermende maatregelen tegen plaagorganismen bij planten, waarbij lidstaten toestemming wordt verleend om in tijdelijke afwijkingen te voorzien ten behoeve van officiële tests, wetenschappelijke of onderwijskundige doeleinden, proefnemingen, selectiewerkzaamheden of veredeling

(Nummer NUMAC - 32019R0829 - voor de gecoördineerde wetgeving)

Gedelegeerde verordening (EU) 2019/1702 tot vaststelling van de lijst van prioritaire plaagorganismen

(Nummer NUMAC – 32019R1702 – voor de gecoördineerde wetgeving )

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072 tot vaststelling van eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van Verordening (EU) 2016/2031

(Nummer NUMAC - 32019R2072 - voor de gecoördineerde wetgeving)

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2148 betreffende specifieke regels voor de vrijgave van planten, plantaardige producten en andere materialen uit quarantainestations en gesloten faciliteiten

(Nummer NUMAC – 32019R02148 – voor de gecoördineerde wetgeving)

   
 

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/1770 betreffende types en soorten van voor opplant bestemde planten die niet zijn vrijgesteld van de vereiste van een traceerbaarheidscode voor plantenpaspoorten krachtens Verordening (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad

(Nummer NUMAC – 32020R1770 – voor de gecoördineerde wetgeving)


Naar boven


Plantengezondheid: bevoegde federale en/of gewestelijke autoriteiten, waar kan u terecht?

 

De nieuwe Plantengezondheidsverordening ((EU) 2016/2031) omvat fytosanitaire maatregelen en eisen in de ruime zin van het woord plantengezondheid nl. ten aanzien van quarantaineorganismen (Q en ZP-Q) en de gereguleerde niet-quarantaineorganismen (RNQP).

De federale overheid is bevoegd voor eisen en maatregelen met betrekking tot Q- en ZP-Q-organismen op planten, plantaardige producten en ander materiaal en de gewestelijke overheden zijn bevoegd voor eisen en maatregelen met betrekking tot RNQP-organismen op plantaardig teeltmateriaal. Omdat op eenzelfde plant zowel Q-, ZP-Q- als RNQP-eisen van toepassing kunnen zijn, en het plantenpaspoort de naleving van al deze eisen garandeert, wordt u als professionele marktdeelnemer geconfronteerd met twee bevoegde overheden. Om het voor u praktisch zo eenvoudig mogelijk te maken, sloten de federale en de gewestelijke overheden een samenwerkingsakkoord over dit thema. Hierin wordt het principe van het unieke loket nagestreefd, hetgeen wil zeggen, dat daar waar dit mogelijk was, afgesproken is dat één overheidsdienst aanspreekpunt en uitvoerder is van zoveel mogelijk eisen en maatregelen binnen eenzelfde sector, dus zowel van Q’s, ZP-Q’s als van RNQP’s.

Met ingang van 15 april 2021 worden de bepalingen van het samenwerkingsakkoord tussen de federale en de gewestelijke overheden in het kader van de afgifte van de plantenpaspoorten gradueel in uitvoering gebracht. Dit betekent dat u vanaf dan, afhankelijk van de sector waarin u actief bent, dient na te gaan tot welke entiteit u zich dient te wenden.

Met ingang van 1 mei 2021 worden de afspraken uit het samenwerkingsakkoord tussen de federale en de gewestelijke overheden betreffende certificering in het kader van uitvoer en invoer in uitvoering gebracht.

Hieronder vindt u per sector terug welke taakverdeling er is afgesproken tussen de federale en de gewestelijke overheden.

 

Algemeenheden voor alle sectoren met betrekking tot plantaardig teeltmateriaal:

 

Registratie:

  • bij het FAVV, indien uw activiteiten betrekking hebben op om het even welk plantaardig materiaal (productie, handel, …), dit omvat ook het plantaardig teeltmateriaal (https://www.favv-afsca.be/professionelen/erkenningen/);
  • en, indien uw activiteiten betrekking hebben op het in de handel brengen van plantaardig teeltmateriaal (productie, handel), ook bij de bevoegde gewestelijke entiteit (www.vlaanderen.be/landbouw).

Opgelet: de regelgeving met betrekking tot de handel van teeltmateriaal blijft ook van kracht. Hiervoor richt u zich tot de gewestelijke bevoegde entiteiten.

 

Erkenning voor het afleveren van plantenpaspoorten: indien dit voor u van toepassing is, richt u zich tot de bevoegde dienst:

  • voor wat Q- en ZP-Q-eisen betreft, het FAVV;
  • voor wat RNQP-eisen op plantaardig teeltmateriaal betreft, de bevoegde gewestelijke entiteit;
  • bij beide overheden indien er zowel Q-, ZP-Q- als RNQP-eisen van toepassing zijn.

Hoe weet u of er voor de soorten of geslachten in uw bedrijf al dan niet Q-, ZP-Q- of RNQP-eisen van toepassing zijn? Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072

Het eerste controlebezoek voor het toekennen van de erkenning wordt steeds door de bevoegde entiteit zelf uitgevoerd, dus door beide overheden indien zowel Q-, ZP-Q- als RNQP-eisen van toepassing zijn.

 

Controles in het kader van de aflevering van plantenpaspoorten

Deze controles hebben betrekking op Q’s, ZP-Q’s en RNQP’s voor wat betreft:

  • de voorwaarden voor het behoud van de erkenning voor het afleveren van plantenpaspoorten;
  • visuele veld- en partijcontroles;
  • bemonsteringen;
  • afgifte van plantenpaspoorten of toezicht op de afgifte van plantenpaspoorten.
 

1. de GEWESTELIJKE OVERHEDEN staan in voor de controles, met uitzondering van grondbemonsteringen voorafgaand aan de teelt, in de volgende sectoren:

  • gecertificeerde pootaardappelen;
  • gecertificeerde zaaizaden en standaardzaden van groenten;
  • teeltmateriaal van fruitgewassen voor gespecialiseerde fruitboomkwekerijen en producenten van onderstammen en entmateriaal waar de bevoegde entiteit van het Gewest officiële certificeringen uitvoert in het kader van de handelsrichtlijnen;
  • teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen;
  • vegetatief teeltmateriaal van wijnstokken.
 

2. het FAVV staat in voor de controles in volgende sectoren:

  • teeltmateriaal van siergewassen en andere voor opplant bestemde planten voor sierdoeleinden;
  • teeltmateriaal van fruitgewassen met uitzondering van de gespecialiseerde fruitboomkwekerijen en producenten van onderstammen en entmateriaal en fruitgewassen waar de bevoegde entiteit van het Gewest officiële certificeringen uitvoert in het kader van de handelsrichtlijnen;
  • bosbouwkundig teeltmateriaal;
  • en voor de verplichte grondbemonsteringen voorafgaand aan de teelt in alle sectoren.

Opgelet de regelgeving m.b.t. de handel van teeltmateriaal blijft ook van kracht. Hiervoor richt u zich steeds tot de gewestelijke bevoegde entiteiten (www.vlaanderen.be/landbouw).

 

Invoer uit niet EU-lidstaten:

Het FAVV is uw aanspreekpunt wat betreft de invoer vanuit niet EU-lidstaten, voor alle sectoren van plantaardig teeltmateriaal (www.favv-afsca.be/invoer).

 

Uitvoer naar niet-EU-lidstaten:

Voor de afgifte van fytosanitaire certificaten voor uitvoer, fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer en pre-uitvoercertificaten richt u zich tot:

1. de GEWESTELIJKE OVERHEDEN voor:

  • gecertificeerde pootaardappelen;
  • gecertificeerde zaaizaden en standaardzaden van groenten;
  • teeltmateriaal van fruitgewassen voor gespecialiseerde fruitboomkwekerijen en producenten van onderstammen en entmateriaal waar de bevoegde entiteit van het Gewest officiële certificeringen uitvoert in het kader van de handelsrichtlijnen;
  • teeltmateriaal en plantgoed van groentegewassen;
  • vegetatief teeltmateriaal van wijnstokken.

 

2. het FAVV voor:

  • teeltmateriaal van siergewassen en andere voor opplant bestemde planten voor sierdoeleinden;
  • teeltmateriaal van fruitgewassen, met uitzondering van de gespecialiseerde fruitboomkwekerijen en producenten van onderstammen en entmateriaal en fruitgewassen waar de bevoegde entiteit van het Gewest officiële certificeringen uitvoert in het kader van de handelsrichtlijnen;
  • bosbouwkundig teeltmateriaal.

 

3. Uitzonderingen voor de afgifte van fytosanitaire certificaten voor uitvoer en fytosanitaire certificaten voor wederuitvoer:

  • de afgifte van fytosanitaire certificaten op beveiligd papier voor de Russische federatie gebeurt steeds door het FAVV;
  • de afgifte van fytosanitaire certificaten voor zendingen die plantaardig teeltmateriaal bevatten zoals bedoeld onder punt 1 in combinatie met teeltmateriaal zoals bedoeld onder punt 2 gebeurt steeds door het FAVV.
 

Het FAVV voert de onderhandelingen met bevoegde overheden van niet-EU-lidstaten inzake de fytosanitaire eisen en maatregelen voor export.

   

Naar boven




Fytosanitaire invoercontroles

 

Alle planten moeten bij invoer uit derde landen vergezeld zijn van een fytosanitair certificaat afgeleverd door het land van oorsprong.

   
 

Invoerverbod voor hoog risico producten en afwijkingen

De invoer van een aantal hoog risico producten wordt, in afwachting van een risicobeoordeling, verboden. De lijst van planten waarvoor dit invoerverbod geldt, bevindt zich in bijlage I van uitvoeringsverordening (EU) 2018/2019. De te volgen procedure om een afwijking op dit invoerverbod te bekomen is vastgelegd in uitvoeringsverordening (EU) 2018/2018.

   
 

Plantaardige producten waarvoor geen fytosanitair certificaat vereist is

Op basis van ervaring met de handel en van gegevens over de risico’s voor plaagorganismen kan besloten worden dat een fytosanitair certificaat niet vereist is voor de invoer van bepaalde plantaardige producten. De lijst van plantaardige producten die niet van een fytosanitair certificaat vergezeld moeten zijn bij invoer is opgenomen in bijlage XI, deel C van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072.

   
 

Aanmelding van zendingen

De aanmelding van en de afhandeling van fytosanitaire invoercontroles gebeuren via de EU-database IMSOC (momenteel TRACES-NT).

   
 

Informatie voor de reizigers

Voor reizigers gelden dezelfde regels inzake de invoer van planten en plantaardige producten als voor commerciële zendingen. Concreet betekent dit dat planten voor opplant (zaden, bollen, knollen, stekken, enten, planten met wortels, …) niet meegebracht mogen worden in reizigersbagage. Groenten, fruit en snijbloemen mogen enkel meegebracht worden als ze vergezeld zijn van een fytosanitair certificaat. Enkel volgende vruchten : ananas, kokosnoot, doerian, banaan en dadel, mogen nog meegebracht worden in de bagage zonder fytosanitair certificaat.

   
   

Naar boven


Gebruik van plantenpaspoorten

 
   
 

Paspoortplichtige planten en uitzonderingen

De lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen waarvan het verkeer op het grondgebied van de Unie een plantenpaspoort vereist is opgenomen in bijlage XIII van Uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072.

De lijst van planten, plantaardige producten en andere materialen waarvan het binnenbrengen en het verkeer in bepaalde beschermde gebieden een plantenpaspoort met vermelding “PZ” vereist, is opgenomen in bijlage XIV van uitvoeringsverordening (EU) 2019/2072.

Er is geen plantenpaspoort vereist in volgende gevallen :

  • voor verkeer van planten, plantaardige producten en andere materialen in grensgebieden met derde landen, in transit, bestemd voor wetenschappelijke doeleinden of in reizigersbagage;
  • voor de rechtstreekse levering van planten, plantaardige producten en andere materialen aan niet professionele eindgebruikers, waaronder hobbytuiniers, behalve in geval van internethandel (e-commerce).

Let op : in geval van internethandel (e-commerce) is er wel een plantenpaspoort vereist voor de rechtstreekse levering van planten, plantaardige producten en andere materialen aan niet professionele eindgebruikers.

   
 

Modellen van plantenpaspoorten

De modellen van plantenpaspoorten zijn vastgesteld bij uitvoeringsverordening (EU) 2017/2313.

  • Deel A van de bijlage bij deze uitvoeringsverordening bevat voorbeelden van plantenpaspoorten voor het intracommunautair verkeer.
  • Deel B van de bijlage bij deze uitvoeringsverordening bevat voorbeelden van plantenpaspoorten voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied PZ.
  • Deel C van de bijlage bij deze uitvoeringsverordening bevat voorbeelden van plantenpaspoorten voor het intracommunautair verkeer, gecombineerd met een certificeringsetiket.
  • Deel D van de bijlage bij deze uitvoeringsverordening bevat voorbeelden van plantenpaspoorten voor het binnenbrengen in en het verkeer binnen een beschermd gebied PZ, gecombineerd met een certificeringsetiket.
De elementen van het plantenpaspoort moeten op een apart etiket geplaatst worden en moeten met het blote oog leesbaar zijn. Ze zijn duidelijk gescheiden van alle andere informatie of etiketten die op dezelfde drager kunnen voorkomen, zodat ze gemakkelijk zichtbaar en leesbaar zijn. Ze mogen omgeven worden door een scheidingslijn. De vorm, de grootte, de kleur en het lettertype zijn vrij te kiezen.
   
 

Voorbeeld van een plantenpaspoort voor het verkeer op het grondgebied van de Unie

   
 
   
 

Volgende elementen zijn verplicht te vermelden :

  • In de linkerbovenhoek : de EU-vlag (in kleur of zwart-wit).

De kleur van de tekst is vrij te kiezen, de vlag van de EU moet zwart-wit, wit-zwart zijn of blauw met gele sterren. Andere contrasterende kleuren zijn ook aanvaardbaar (bijv. de kleur van de tekst, of indien de achtergrond gekleurd is, een andere contrasterende kleur). In ieder geval moet de vorm van de vlag duidelijk herkenbaar zijn (rechthoekige vorm met 12 sterren in een cirkel).

  • In de rechterbovenhoek : de woorden “Plant Passport” in het Engels (1).

Verordening (EU) 2016/2031 voorziet dat dit aangevuld kan worden met een vertaling in één andere officiële taal van de Unie, maar in België wordt van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.   

  • De letter “A” gevolgd door de botanische naam (2);

De botanische naam van de betrokken plantensoort of het betrokken taxon of de naam van het materiaal, indien van toepassing. Naast de botanische naam mag ook de naam van de cultivar of het ras vermeld worden. Minstens de geslachtsnaam moet vermeld zijn, bij voorkeur ook de soortnaam. In geval van gemengde schalen met bijv. cactussen, mag ook de familienaam (Cactaceae) vermeld worden.

  • De letter “B” gevolgd door de ISO-code van de lidstaat waar de operator is geregistreerd (BE), een koppelteken en het registratienummer (3).

Belgische operatoren vermelden hun vestigingseenheidsnummer (VEN) (formaat: 2.XXX.XXX.XXX) als registratienummer, niet langer het erkenningsnummer (bestaande uit 5 of 6 cijfers).

  • De letter “C” gevolgd door traceerbaarheidscode (4);

De traceerbaarheidscode bestaat uit het partijnummer of een andere identificatie waarmee de traceerbaarheid gegarandeerd kan worden. Dit mag aangevuld worden met een streepjescode, hologram, chip, QR-code of een andere gegevensdrager met traceerbaarheidsdoeleinden.

Een traceerbaarheidscode is niet vereist voor voor opplant bestemde planten die op zodanige wijze klaargemaakt zijn dat zij zonder verdere voorbereiding klaar zijn voor verkoop aan de niet-professionele eindgebruiker.

De Europese Commissie heeft een lijst opgesteld van categorieën of soorten waarvoor deze uitzondering niet geldt (uitvoeringsverordening (EU) 2020/1770). In de praktijk betekent dit dat vanaf 31/12/2021 altijd een traceerbaarheidscode moet worden opgenomen in het plantenpaspoort voor planten bestemd voor opplant, met uitzondering van zaden, behorend tot de volgende soorten en types: Citrus, Coffea, Lavandula dentata L., Nerium oleander L., Olea europea L., Polygala myrtifolia L., Prunus dulcis (Mill.) D.A.Webb, Solanum tuberosum L.

Let op : zelfs indien het niet verplicht is een traceerbaarheidscode te vermelden, dient de letter “C” op het plantenpaspoort te staan.

  • De letter “D” gevolgd door de ISO-code van het land van oorsprong of productie, ook als dat België is (5).

In functie van de blootstelling aan fytosanitaire risico’s kan de oorsprong wijzigen. Volgende termijnen worden toegepast :

    • Stekken, kruidachtige vaste planten, potplanten : na 4 weken;
    • Houtige gewassen, bollen, knollen : na een volledige vegetatiecyclus (groeiseizoen);
    • Bonsais en planten van Citrus-achtigen : na 2 maand.

Dit betekent dat de operator na deze termijn « BE » kan vermelden als land van oorsprong.

Let op : de letters “A”, “B”, “C” en “D” moeten altijd vermeld worden, gevolgd door de relevante informatie.

   
 

Voorbeeld van een plantenpaspoort bestemd voor beschermde gebieden (PZ)

   
 
   
 

Bovenop de gegevens die moeten vermeld worden op een plantenpaspoort voor het verkeer op grondgebied van de Unie, moet op een plantenpaspoort bestemd voor beschermde gebieden ook de wetenschappelijke naam van het ZP-quarantaineorganisme (9) vermeld worden. In plaats van de naam voluit, mag ook de EPPO-code voor het ZP-quarantaineorganisme vermeld worden. De EPPO-code voor een plaagorganisme bestaat uit 6 letters en is terug te vinden in de EPPO Global Database door op de naam van het betrokken organisme te zoeken. Bijvoorbeeld: de EPPO-code voor Erwinia amylovora is ERWIAM.

   
 

Plantenpaspoorten gecombineerd met een certificeringsetiket

   
 

In geval van voor opplant bestemde planten die zijn geproduceerd of op de markt worden aangeboden als prebasismateriaal, basismateriaal of gecertificeerd materiaal of prebasis-, basis- of gecertificeerd zaaigoed of pootaardappelen wordt het plantenpaspoort opgenomen in het certificeringsetiket.

Let op : het plantenpaspoort wordt niet opgenomen in het document van de leverancier.

   
 

Voorschriften voor het afleveren van het plantenpaspoort

   
 

Een plantenpaspoort mag slechts worden afgegeven indien voldaan is aan de volgende voorschriften:

  • de planten, plantaardige producten of andere materialen zijn vrij van EU-quarantaineorganismen en van ZP-quarantaineorganismen indien van toepassing;
  • ze voldoen aan de bepalingen inzake RNQP (gereglementeerde niet-quarantaine organismen);
  • ze voldoen aan de relevante fytosanitaire eisen.
   
 

Aanbrengen van het plantenpaspoort

   
 

Het plantenpaspoort wordt door een daartoe erkende operator aangebracht op de, voor het betrokken afzetstadium, kleinste commercieel toepasbare of bruikbare eenheid, die onderdeel van een partij kan zijn of de gehele partij kan omvatten. Wanneer planten, plantaardige producten of andere materialen in een verpakking, bundel of container worden vervoerd, wordt het plantenpaspoort aangebracht op deze verpakking, bundel of container.

De leverancier en de afnemer bepalen onderling wat de kleinste commerciële eenheid is waarop een plantenpaspoort aangebracht dient te worden. Individueel labelen van potten is wettelijk niet verplicht als de handelseenheid groter is, maar kan door de klant gevraagd worden.

   
 

Vervangen van plantenpaspoorten

   
 

Een plantenpaspoort kan vervangen worden door een ander indien voor de betrokken producten aan de voorschriften voor het afleveren ervan is voldaan. Enkel erkende operatoren mogen plantenpaspoorten vervangen. Na het vervangen van een plantenpaspoort bewaart de erkende operator het vervangen plantenpaspoort of de gegevens ervan gedurende een periode van ten minste 3 jaar.

Indien bij het splitsen van partijen de kleinste handelseenheid al van een plantenpaspoort voorzien is, dient dit plantenpaspoort niet vervangen te worden, maar het mag wel.

   
 

Erkenningsvoorwaarden

   
 

Verordening (EU) 2016/2031 en gedelegeerde verordening (EU) 2019/827 leggen de criteria en procedures vast om een erkenning plantenpaspoorten te kunnen bekomen. De betrokken operator moet aan de volgende voorwaarden voldoen :

  • uitgerust zijn met systemen en procedures om de traceerbaarheid van de producten te kunnen garanderen (register IN, register OUT en de link tussen beide; schriftelijke procedures zijn niet vereist);
  • beschikken over de nodige kennis van de voorschriften die van toepassing zijn op het onderzoek dat op hun planten moet worden uitgevoerd met betrekking tot EU-quarantaineorganismen, schadelijke organismen waarvoor noodmaatregelen bestaan, ZP-quarantaineorganismen en RNQP's (gereglementeerde niet-quarantaineorganismen) die van invloed kunnen zijn op de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen;
  • beschikken over de nodige kennis om de onderzoeken te verrichten betreffende tekenen van de aanwezigheid van schadelijke organismen en de symptomen die ze veroorzaken;
  • de nodige kennis aantonen van de beste praktijken, maatregelen en andere acties die nodig zijn om de aanwezigheid en de verspreiding van schadelijke organismen te voorkomen;
  • beschikken over de nodige voorzieningen en installaties om de vereiste onderzoeken en te nemen maatregelen te realiseren;
  • een contactpersoon aanwijzen die belast is met de communicatie met het FAVV en de contactgegevens van die persoon doorgeven ;
  • de contactgegevens van het FAVV kennen voor de meldingsplicht in geval van vermoedelijke uitbraken of detectie van quarantaineorganismen
   
 

Verplichtingen voor erkende operatoren

   
 

Operatoren die over een erkenning voor het afleveren van plantenpaspoorten beschikken moeten :

  • de planten, plantaardige producten en andere materialen onderwerpen aan grondige onderzoeken om na te gaan of de voorschriften voor het afleveren van plantenpaspoorten voldaan zijn. Deze onderzoeken gebeuren op de planten, plantaardige producten en andere materialen afzonderlijk, of aan de hand van representatieve monsters. Ze hebben ook betrekking op het verpakkingsmateriaal. De onderzoeken gebeuren op geschikte tijdstippen, rekening houdend met de betrokken risico’s, en gebeuren minstens visueel.
  • de resultaten van deze onderzoeken registreren en gedurende minstens 3 jaar bewaren;
  • in geval van vermoeden van de aanwezigheid van één of meer EU-quarantaineorganismen het FAVV onmiddellijk inlichten;
  • de punten in het productieproces en de handelsstadia die essentieel zijn voor de naleving van de relevante fytosanitaire eisen bepalen en ze monitoren;
  • gedurende minstens 3 jaar de gegevens bijhouden over de vaststelling en de monitoring van deze punten;
  • indien nodig, passende opleiding voorzien voor hun personeel dat betrokken is bij de visuele onderzoeken die vereist zijn om plantenpaspoorten af te leveren, zodat zij over de nodige kennis beschikken om deze taak correct uit te voeren;
  • de relevante informatie over de afgeleverde plantenpaspoorten gedurende ten minste 3 jaar bijhouden;
  • jaarlijks, ten laatste op 30 april, de geslachten of soorten meedelen, evenals in voorkomend geval, de percelen waarop hun activiteiten betrekking hebben.
    Jaarlijkse aangifte van geslachten/soorten en percelen
   
 

Overgangsperiode

   
 

Oude modellen plantenpaspoorten die werden afgeleverd vóór 14/12/2019 blijven geldig tot 14/12/2023. Sinds 14/12/2019, worden de nieuwe modellen van plantenpaspoorten afgeleverd.

   
 

Technische richtsnoeren voor de operatoren

Om ervoor te zorgen dat de professionele operatoren over de nodige kennis beschikken van de regels betreffende de quarantaineorganismen die bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen kunnen aantasten, alsook van de maatregelen om de aanwezigheid en de verspreiding van deze organismen op het Belgische grondgebied en in de EU te voorkomen, heeft het FAVV technische richtsnoeren opgesteld voor de erkende professionele operatoren over de criteria waaraan moet worden voldaan tijdens de onderzoeken voor de afgifte van plantenpaspoorten. Deze technische richtsnoeren zijn ontwikkeld in overeenstemming met de gedelegeerde verordening (EU) 2019/827.

Voor meer informatie over de technische richtsnoeren die door de FAVV zijn ontwikkeld, klik hier.


Naar boven


Traceerbaarheid

 

Elke professionele operator die paspoortplichtige planten verhandelt moet de traceerbaarheid ervan kunnen garanderen. Dit betekent dat hij een register dient bij te houden aan de hand waarvan hij voor elke ontvangen handelseenheid kan nagaan welke professionele operator deze aan hem heeft geleverd en waarvan hij voor elke verkochte handelseenheid kan nagaan aan welke professionele operator hij deze heeft verkocht.

Operatoren die erkend zijn om plantenpaspoorten af te leveren dienen bovendien ook alle relevante informatie met betrekking tot het plantenpaspoort bij te houden.

De traceerbaarheidsgegevens dienen gedurende ten minste 3 jaar bewaard te worden door zowel erkende als niet-erkende operatoren.


Naar boven


Jaarlijkse aangifte van geslachten/soorten en percelen

 

Operatoren die over een erkenning van het FAVV beschikken om plantenpaspoorten af te leveren, moeten jaarlijks, in toepassing van verordening (EU) 2016/2031, de percelen en de geslachten of soorten van planten of plantaardige producten of andere materialen meedelen waarop hun werkzaamheden betrekking hebben.

   
 

Operatoren gevestigd in het Vlaams Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Vele van de betrokken operatoren dienen jaarlijks, via de verzamelaanvraag (e-loket), hun percelen met teeltcode in bij het Departement Landbouw en Visserij (DLV) van de Vlaamse Overheid. Om de administratieve overlast te beperken heeft het DLV, op verzoek van het FAVV, sinds 2019 de mogelijkheid voorzien om hierin ook de gegevens over de soorten en geslachten van planten waarvoor een plantenpaspoort vereist is in te voeren. De jaarlijkse opgave van de geslachten of soorten gebeurt één keer voor het volledige bedrijf en is niet perceelsgebonden. Ook operatoren die gevestigd zijn in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen dit systeem gebruiken.

Operatoren die over een erkenning plantenpaspoort moeten beschikken maar geen verzamelaanvraag indienen (geen steunmaatregelen, geen aangifte Mestbank, …) en gevestigd zijn in het Vlaams Gewest of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zullen hun jaarlijkse aangifte van paspoortplichtige geslachten of soorten eveneens via het e-loket (www.landbouwvlaanderen.be) van DLV kunnen doen. Zij dienen geen percelen aan te geven, maar enkel de lijst van paspoortplichtige geslachten of soorten in te vullen. Meer informatie hierover is beschikbaar op de website www.vlaanderen.be/landbouw.

De operatoren die geen verzamelaanvraag indienen en over percelen beschikken waarop paspoortplichtige planten worden geteeld dienen de ligging van deze percelen schriftelijk mee te delen aan hun LCE.

   
 

Operatoren gevestigd in het Waals Gewest

Operatoren die gevestigd zijn in het Waals Gewest moeten de aangifte van paspoortplichtige geslachten en soortendoen door het invullen van het formulier “Aangifte soorten”.

De ingevulde aangifte dient naar het adres declaration.plant@afsca.be gestuurd te worden.

De operatoren die geen verzamelaanvraag indienen en over percelen beschikken waarop paspoortplichtige planten worden geteeld dienen de ligging van deze percelen schriftelijk mee te delen aan hun LCE.

Onze missie is ervoor zorgen dat alle actoren van de keten aan de consument en aan elkaar een optimale zekerheid geven dat levensmiddelen, dieren, planten en producten die ze consumeren, houden of gebruiken, betrouwbaar, veilig en beschermd zijn, nu en in de toekomst.

Afdrukbare versie   |   Laatst bijgewerkt op 30.11.2021    |   Naar boven
Gebruiksvoorwaarden & disclaimer   |   Ons cookiebeleid   |   Toegankelijkheidsverklaring   |   Copyright © 2002- FAVV-AFSCA - Alle rechten voorbehouden   |   Extranet