Klik hier als de mail niet leesbaar is :: Cliquez-ici si l'email est illisible



   
13/06/2016 Version française en-dessous


HET FAVV START IN HET NAJAAR VAN 2016 MET EEN NIEUW BEWAKINGSPROGRAMMA VOOR DE BIJENGEZONDHEID

Einde 2014 werd Epilobee, het Europees proefproject waarin onderzoek naar de bijengezondheid werd gedaan, afgerond. Op korte en middellange termijn zal er op Europees niveau geen opvolger zijn van dit project. Omdat Epilobee heel wat positieve commentaren ontving vanuit de imkerij, de wetenschappelijke en de politieke wereld, werd beslist om een nieuw Belgisch bewakingsprogramma voor de bijengezondheid op te starten in het najaar van 2016. Dit programma is gebaseerd op de ervaringen opgedaan tijdens het Epilobee-project en de diverse wetenschappelijke adviezen die in tussentijd verschenen zijn. Het hoofddoel van het programma is om de bijensterfte objectief te bepalen. Daarnaast zullen mogelijke verbanden tussen de bijensterfte en de factoren die het vaakst vernoemd worden als mogelijke oorzaak ervan onderzocht worden. Op basis van de bekomen informatie kan de overheid het bijengezondheidsbeleid verder uitstippelen.

Uit het gegevensbestand van het FAVV zullen op een willekeurige manier 200 imkers geselecteerd worden. De deelname aan het project is vrijwillig. Elke imker zal 3 keer bezocht worden: een eerste keer in het najaar van 2016 om de initiële gezondheid van de bijenstand te bepalen. Een tweede en een derde bezoekreeks volgen in het voorjaar en de zomer van 2017 waarbij de winter- en seizoenssterfte van de opgevolgde kolonies zal nagegaan worden.

Naast de bijensterfte zullen ook verschillende bijenziekten bestudeerd worden. Bij elke geselecteerde kolonie zal een varroatelling worden gedaan en zal een staal worden genomen voor onderzoek op nosema. Tijdens elk bezoek zal elke geselecteerde kolonie klinisch onderzocht worden. Indien ziektesymptomen worden vastgesteld, zullen bijkomende stalen genomen worden voor laboratoriumonderzoek op Amerikaans en Europees vuilbroed, nosema en varroa. Elke bijenstand zal ook gecontroleerd worden op de aanwezigheid van de kleine bijenkastkever en de Tropilaelapsmijt.

Verder zal in elke bijenstand een stuifmeelstaal genomen worden voor analyse op chemische residuen (van o.a. pesticiden, fungiciden,…). Bedoeling van dit onderzoek is om in eerste instantie een overzicht te krijgen van de residuen die actueel aanwezig zijn in de bijenkast. In een tweede fase zal getracht worden na te gaan in hoeverre er een mogelijk verband bestaat tussen de aanwezigheid van bepaalde residuen en de vaststelling van bepaalde afwijkingen of van sterfte bij de opgevolgde bijenvolken.

Tenslotte voorziet het programma ook een verhoogde bewaking met betrekking tot de kleine bijenkastkever. Het FAVV heeft op dit moment 8 risicogebieden gedefinieerd voor de mogelijke binnenkomst van de kever. Het gaat hier om de gebieden in de onmiddellijke omgeving van internationale havens en luchthavens: Zaventem, Luik, Charleroi, Antwerpen, Gent, Oostende, Zeebrugge en het Belgisch gebied grenzend aan de luchthaven van Maastricht-Aken (regio Lanaken-Maasmechelen). Binnen elk risicogebied zullen, waar mogelijk, 3 zogenaamde ‘sentinelbijenstanden’ geselecteerd worden om op te volgen. De imkers zullen geïnformeerd worden over de karakteristieken van de kever, wat te doen bij het aantreffen van verdachte kevers, enz. Daarnaast zullen in deze bijenstanden ook vallen worden geplaatst die op regelmatige basis zullen gecontroleerd worden. De sentinelbijenstanden maken deel uit van de 200 bijenstanden die opgevolgd worden binnen het nieuw bewakingsprogramma en zullen dus ook 3 maal bezocht worden waarbij de voorziene onderzoeken en monsternemingen worden uitgevoerd.

Voor meer informatie over het project kan u terecht op de website van het FAVV:
http://www.favv.be/bijenteelt/dierengezondheid/
Hierop zullen regelmatig de (tussentijdse) resultaten van het project worden bekend gemaakt. De eindresultaten van het project 2016-2017 worden verwacht tegen eind 2017.





L’AFSCA LANCERA À L'AUTOMNE 2016 UN NOUVEAU PROGRAMME DE SURVEILLANCE DE LA SANTÉ DES ABEILLES

Fin 2014, le projet pilote européen Epilobee, dans le cadre duquel une étude sur la santé des abeilles a été réalisée, s’est achevé. À court et moyen terme, il n'y aura pas de suite à ce projet au niveau européen. Etant donné que le projet Epilobee a été perçu de façon très positive par le secteur apicole, la communauté scientifique et le monde politique, il a été décidé de lancer à l'automne 2016 un nouveau programme de surveillance de la santé des abeilles. Ce programme se base sur les expériences acquises au cours du projet Epilobee ainsi que sur les différents avis scientifiques qui ont été publiés depuis lors. L’objectif principal du programme est de déterminer la mortalité des abeilles de manière objective. De plus, les liens possibles entre la mortalité des abeilles et les causes les plus fréquemment évoquées seront examinés. Sur base de l’information obtenue, les autorités pourront continuer à définir la politique sanitaire vis-à-vis des abeilles.

Deux cent apiculteurs seront sélectionnés arbitrairement dans la base de données de l'AFSCA. La participation au projet sera volontaire. Chaque apiculteur fera l'objet de 3 visites : une première fois à l'automne 2016 afin de définir la santé initiale du rucher. Une deuxième et une troisième série de visites suivront au printemps et à l'été 2017, durant lesquelles on examinera la mortalité hivernale et saisonnière des colonies suivies.

En plus de la mortalité des abeilles, on étudiera également différentes maladies des abeilles. Dans chaque colonie sélectionnée, un dénombrement de varroas sera réalisé. Dans chaque colonie, un échantillon sera également prélevé en vue d'un examen de nosema. Lors de chaque visite, chaque colonie sera examinée cliniquement. Si l'on constate des symptômes de maladie, des échantillons supplémentaires seront prélevés en vue d'une analyse de laboratoire sur la loque américaine, la loque européenne, nosema et varroa. Chaque rucher sera contrôlé quant à la présence de petits coléoptères des ruches et des acariens tropilaelaps.

En plus, un échantillon de pollen sera prélevé dans chaque rucher en vue d'une analyse sur des résidus chimiques (e.a. de pesticides, fongicides, ...). Le but de cette analyse est dans un premier temps d'obtenir un aperçu des résidus présentes dans la ruche. Dans un deuxième temps, on essayera d'examiner dans quelle mesure il existe un lien potentiel entre la présence de certains résidus et la constatation de certaines anomalies ou d'une mortalité chez les colonies d'abeilles suivies.

Enfin, le programme prévoit également une surveillance accrue du petit coléoptère des ruches. A l’heure actuelle, l'AFSCA a défini 8 zones à risques pour l'introduction possible du coléoptère. Il s’agit de zones se trouvant dans l'environnement immédiat des ports et aéroports internationaux : Zaventem, Liège, Charleroi, Anvers, Gand, Ostende, Zeebruges et le territoire belge limitrophe à l'aéroport de Maastricht-Aachen (région Lanaken-Maasmechelen). Au sein de chaque zone à risque, et là où c'est possible, 3 ruchers « sentinelles » seront sélectionnés pour faire l’objet d’un suivi. Les apiculteurs seront informés sur les caractéristiques du coléoptère, sur ce qu'il faut faire lors de la découverte de coléoptères suspects, etc. En outre, dans ces ruchers, on placera aussi des pièges qui seront régulièrement contrôlés. Les ruchers « sentinelles » font partie des 200 ruchers qui sont suivis dans le cadre du nouveau programme de surveillance et qui feront donc aussi l'objet de 3 visites au cours desquelles les analyses et les échantillonnages prévus seront réalisés.

Pour obtenir de plus amples informations sur ce projet, veuillez consulter le site internet de l'AFSCA :
http://www.afsca.be/apiculture/santeanimale/
Les résultats (intermédiaires) du projet y seront régulièrement publiés. Les résultats finaux du projet 2016-2017 sont attendus d'ici fin 2017.
 
 

Copyright © 2016 FAVV-AFSCA. Tous droits réservés.
Version française