Deze bladzijde weergeven in het : Frans Nederlands
 
  ZOEKEN

Zoeken van A tot Z
 
Startpagina > Beroepssectoren > Dierlijke productie > Dieren > Dierengezondheid > Paardenpest
Professionelen Over het FAVV Organogram Contact Autocontrole Checklists "Inspecties" Dierlijke productie / Dierengezondheid Plantaardige productie Hoeveverkoop Erkenningen, toelatingen en registratie Export naar derde landen Financiering van het FAVV Invoer derde landen Laboratoria Levensmiddelen Meldingsplicht Wetgeving Zelfstandige dierenartsen Zelfstandige bio-ingenieurs, industrieel ingenieurs, bachelors en masters Publicaties Praktisch Voorlichtings- en begeleidingscel Comités Auditcomité Raadgevend Comité Wetenschappelijk Comité Consumenten

 
 

Paardenpest



   
Beschrijving van de ziekte
Preventie-en bestrijdingsmaatregelen
Belgische wetgeving
Europese regelgeving
Situatie in België en in het buitenland
Praktische fiche





Beschrijving van de ziekte

Oorsprong

Paardenpest wordt veroorzaakt door een virus van de familie van de Reoviridae, van het geslacht Orbivirus (zoals het bluetonguevirus).

Er bestaan 9 serotypes van het paardenpestvirus.

Gevoelige soorten

Alle soorten van paardachtigen en kruisingen ervan zijn gevoelig voor de ziekte.

Zebra’s worden beschouwd als de natuurlijke gastheer van het virus en zijn in Afrika het belangrijkste reservoir van de ziekte.

Honden zijn gevoelig, maar dan moet de besmettende dosis wel hoog zijn.

Ook in het wild levende vleeseters (hyena’s, jakhalzen) kunnen besmet raken. De besmetting is niet zichtbaar bij kamelen en olifanten.

Klinische symptomen

Men onderscheidt 4 klinische vormen van de ziekte. Welke klinische symptomen tot ontwikkeling komen hangt af van de virulentie van de virusstam, van de soort paardachtige die besmet wordt en van het bestaan van een gedeeltelijke humorale bescherming in samenhang met een vroegere blootstelling van het dier aan een ander serotype van het virus.

  • Ademhalingsvorm of acute vorm

Het dier heeft koorts (39°C tot 41 °C), verkeert in een depressieve toestand en heeft ernstige dyspnee. Het dier heeft een zwelling aan de kop en de hals, er vloeit schuim uit de neusgaten en het zweet erg veel. De sterfte bedraagt 95 %. Soms wordt plotse dood zonder klinische symptomen vastgesteld.

De meeste besmette honden ontwikkelen een gelijkaardige vorm met een hoge sterfte.

  • Hartvorm of subacute vorm

De dieren hebben koorts die enkele weken kan aanhouden. Bij experimenteel besmette pony’s trad de koorts 4 tot 6 dagen na de besmetting op.

Onderhuids oedeem van kop en hals is het meest voorkomende symptoom. Er wordt ook oedeem vastgesteld van de oogleden en een zwelling van de conjunctiva die soms gepaard gaat met bloedingen. Er kunnen kleinvlekkige bloedingen onder de tong en puntbloedingen ter hoogte van de ogen waargenomen worden. De dieren hebben vaak kolieken. De sterfte bedraagt ongeveer 50%.

  • Gemengde vorm

De dieren vertonen een combinatie van de klinische symptomen van de ademhalings- en de hartvorm. De sterfte bedraagt 70% en  de dood treedt 3 tot 6 dagen na de koortspiek in.

  • Paardenpestkoorts

De dieren hebben een licht verhoogde temperatuur en oedeem ter hoogte van het gezicht (oogleden). Veruit de meeste dieren genezen. De sterfte is laag. Afrikaanse zebra’s en ezels vertonen doorgaans alleen die vorm van de ziekte.

Postmortemvaststellingen

De macroscopische letsels verschillen al naargelang van de klinische vorm van de ziekte.

Bij de ademhalingsvorm ziet men vooral alveolair en interstitieel oedeem van de longen en een hydrothorax. De bronchi zijn vaak gevuld met schuim. Vaak wordt wit tot roosachtig schuim afgescheiden uit de neusgaten. Oedeem van het luchtpijp- en aortabindweefsel wordt vaak vastgesteld alsook congestie ter hoogte van de maagfundus. Soms wordt ook ascites aangetroffen.

Bij de hartvorm wordt oedemateuse infiltratie (gelatineachtig exsudaat) van de kopspieren en de hals gezien alsook de aanwezigheid van onderhuids oedeem in de kop. Ook de aanwezigheid van vocht in het pericard en bloedingen van het endocard worden dikwijls vastgesteld. Puntbloedingen en/of blauwe plekken kunnen worden aangetroffen op het oppervlak van de dikke darm en de blindedarm alsook ascites.

Bij de gemengde vorm wordt een combinatie van die letsels aangetroffen met meestal meer uitgesproken letsels van de ene of de andere vorm van de ziekte.

Differentiaal diagnose bij paardachtigen

  • Oostelijke en westelijke encephalomyelitis
  • Venezolaanse encephalomyelitis
  • Hemorragische purpura (een vorm van goedaardige droes – Streptococcus equi)
  • Equine virale arteritis
  • Babesiose – Piroplasmose (Theileria equi, Babesia caballi)
  • Infectieuze anemie

Overdracht

Het virus wordt overgebracht door arthropoden (culicoïdes). Dat is de belangrijkste wijze van besmetting. Het virus kan ook iatrogeen, via bloedproducten of weefselsuspensies worden overgebracht.

Tot nu toe werden 3 soorten van culicoïdes geïdentificeerd als vectoren van de ziekte :  Culicoïdes imicola is de belangrijkste, de andere 2 zijn C. sonorensis (variipennis) en C. bolitinos. Het virus werd echter ook al geïsoleerd uit C. obsoletus en C. pulicaris hoewel dat niet bewijst dat die culicoïdes als vector kunnen optreden. De met het blauwtongvirus opgedane ervaring leert echter dat men niet kan uitsluiten dat nog andere culicoïdes de rol van vector kunnen spelen.

Het virus werd reeds geïsoleerd uit teken en laboratoriumstudies toonden aan dat bepaalde soorten muggen de besmetting kunnen overbrengen. Van die vectoren wordt echter aangenomen dat zij een onbeduidende rol spelen in de verspreiding van de ziekte.

Het virus is vrij stabiel in bloed en weefsels die worden bewaard bij 4 °C.

Alleen paardachtigen spelen een rol bij de overdracht van het virus.

Vleeseters raken besmet door vlees van besmette dieren te eten.

Er werden gevallen van encefalitis en retinitis vastgesteld bij mensen (laboratoriumpersoneel) na besmetting met een vaccinstam.



Naar boven


Preventie-en bestrijdingsmaatregelen

Preventie

In Europa is geen enkel vaccin geregistreerd. Er bestaan (monovalente of polyvalente) verzwakte levende vaccins die in de handel verkrijgbaar zijn, maar het gebruik ervan in Europa wordt gecontroleerd door de bevoegde autoriteiten en wordt beperkt tot de toepassing van bestrijdingsmaatregelen bij gevallen van uitbraak van de ziekte. Bij gebruik van verzwakte levende vaccins in niet-endemische gebieden bestaat immers het risico van een mogelijke reversie van de vaccinstam naar de virulente stam en wordt het onmogelijk om een onderscheid te maken tussen met het wilde virus besmette dieren en gevaccineerde dieren.

Bestrijding

Er bestaat geen behandeling tegen paardenpest.

Om verspreiding van de ziekte te vermijden moeten de besmette paarden meteen worden gedood en de kadavers worden vernietigd.



Naar boven


Belgische wetgeving

Het koninklijk besluit van 26/01/1993 betreffende de bestrijding van paardenpest legt de maatregelen vast die gelden bij verdenking of vaststelling van paardenpest bij een paardachtige.

Alle verdenkingen of vaststellingen van paardenpest moeten onmiddellijk worden gemeld aan het FAVV.

Er worden beschermende maatregelen toegepast, met name afzondering van de paardachtigen en beperking van de verplaatsingen, tot wanneer de verdenking wordt tegengesproken door het resultaat van de laboratoriumanalyse.

Als de infectie wordt bevestigd worden controlemaatregelen ingesteld, met name :

  • Alle paardachtigen van de uitbraak die aangetast zijn of klinische symptomen vertonen worden geëuthanaseerd en vernietigd ;
  • Er worden bijkomende onderzoeken uitgevoerd ;
  • Er wordt een epidemiologisch onderzoek uitgevoerd om de oorsprong van het virus te identificeren en uit te maken of er nog andere bedrijven zijn waar besmette paarden aanwezig zijn ;
  • Er wordt een beschermingsgebied afgebakend rond de haard :
    • Alle bedrijven waar paardachtigen zijn gehuisvest worden gelokaliseerd ;
    • In de bedrijven worden een inspectie verricht ;
    • Er worden beperkingen opgelegd met betrekking tot het verplaatsen van paardachtigen.

Het is verboden om therapeutische of preventieve behandelingen voor paardenpest toe te passen.

De in het kader van de uitbraak genomen maatregelen, worden niet eerder opgeheven dan 30 dagen nadat de laatste door paardenpest aangetaste of van aantasting verdachte paardachtige werd gedood en vernietigd en op voorwaarde dat de paardachtigen van het bedrijf negatief hebben gereageerd op twee ELISA-tests die zijn uitgevoerd met een tussentijd van eenentwintig tot dertig dagen.

K.B. van 26 januari 1993 betreffende de bestrijding van paardepest.
(Nummer NUMAC - 1993016019 - voor de gecoördineerde wetgeving)



Naar boven


Europese regelgeving

De bewegingen van paardachtigen die worden gehouden in of afkomstig zijn van een bedrijf dat gelegen is in een lidstaat die niet vrij is van paardenpest, zijn onderworpen aan zeer strikte voorwaarden.

De Europese bepalingen zijn vastgelegd in Richtlijn 92/35/EEG van de Raad van 29 april 1992 tot vaststelling van controlevoorschriften en van maatregelen ter bestrijding van paardepest (P.B. van 10/06/1992).



Naar boven


Situatie in België en in het buitenland

België is erkend als officieel vrij van paardenpest door de werelddierengezondheidsorganisatie (OIE).

Het virus is endemisch in subsaharaans, tropisch en subtropisch Afrika, van Senegal tot Ethiopië en Eritrea en in het zuiden tot aan Zuid-Afrika.

Er werden in 1987 en tot 1990 uitbraken vastgesteld in Spanje en in 1989 in Portugal. De oorsprong van de ziekte lag bij de invoer in Spanje van besmette zebra’s vanuit Namibië. De ziekte werd in 1990 uitgeroeid als gevolg van een streng beleid waarbij besmette dieren werden uitgeschakeld, de verplaatsingen werden beperkt en dieren werden gevaccineerd.


Onze opdracht is te waken over de veiligheid in de voedselketen en de kwaliteit van ons voedsel, ter bescherming van de gezondheid van mens, dier en plant.

Afdrukbare versie   |   Laatst bijgewerkt op 08.03.2016   |   Naar boven


Gebruiksvoorwaarden & disclaimer   |   Copyright © 2002- FAVV-AFSCA. Alle rechten voorbehouden   |   Extranet